Financieel

Een verhaal over cultuur beheren

18 december 2012 11:12
Gefascineerd door de manier waarop mensen de wereld inkijken en wat hen drijft om te doen wat ze doen interviewde ABN AMRO MeesPierson zes personen die vanuit een breed perspectief invulling geven aan hun leven. In het boekje 'Persoonlijke verhalen over vermogen' – dat u via het formulier onderaan deze pagina GRATIS kunt aanvragen - staan deze persoonlijke verhalen op een rij.
Wat drijft mensen om te doen wat ze doen? En hoe komen mensen tot hun keuzes? De zes personen die geïnterviewd werden hebben elk een eigen levensverhaal. De één volop aan het werk om zijn idealen zakelijk haalbaar te maken. De ander genietend in een droomhuis met een vol en waardevol leven achter zich. Eén ding hebben ze gemeen. Het zijn stuk voor stuk personen die vanuit een breed perspectief invulling geven aan hun leven. En dat maakt het lezen van dit boek tot een inspirerende bezigheid. Onderstaand het verhaal van één de oudste mannelijke telgen van een welvarende Amsterdamse familie, die voorbestemd is een unieke schilderijenverzameling in stand te houden.

Hoeders van het culturele erfgoed

Het verhaal begint aan het einde van de zestiende eeuw wanneer de grootvader van een regentenfamilie besluit om met zijn gezin en weverij van de Zuidelijke Nederlanden naar Amsterdam te verhuizen. De stad staat aan de vooravond van een welvaartsexplosie die haar vijftig jaar later tot het economische en culturele epicentrum van de wereld zal maken. Al spoedig verkeert de familie er onder de notabelen. Zijn kleinzoon trouwt in 1655 met de dochter van een beroemde en invloedrijke chirurgijn wiens ‘Anatomische Les’ door Rembrandt is vereeuwigd. De chirurgijn wordt later burgemeester van Amsterdam, net als zijn schoonzoon en diens zoon en kleinzoon. De jongste telg wordt kunstkenner en begint op grote schaal schilderijen te kopen. Rembrandt schildert zijn portret.

Stadspaleis

Een kleine vier eeuwen later is dit portret - dat door kenners wordt beschouwd als het mooiste van Rembrandt - nog altijd in bezit van de familie. Samen met tientallen andere schilderijen is het ondergebracht in verschillende stichtingen die worden bestuurd door een directe afstammeling van de kunstkenner. De geschiedenis heeft hem deze taak toebedeeld, zo vertelt hij in de keuken van het zeventiende eeuwse stadspaleis aan de Amstel dat nog steeds in de familie is en waar hij en zijn vrouw wonen: “Je wordt in de wieg gelegd met een plicht, omdat je overgrootvader dat zo heeft bedacht.” Die overgrootvader zag aan het begin van de twintigste eeuw dat het voortbestaan van zijn schilderijenverzameling ernstig werd bedreigd. De successierechten waren in de loop van de negentiende eeuw namelijk fors gestegen en veel families hadden daardoor stevig moeten interen op hun vermogen. Bovendien had hij zes kinderen. “Vroeger waren het vooral rijke families die door de successierechten werden getroffen. Nu heeft iedereen er mee te maken. Stel dat iemand met een middeninkomen een huis nalaat aan meerdere kinderen. Dan moeten die kinderen dat huis verkopen om het te kunnen erven.” Zijn overgrootvader besloot in 1922 om een deel van de schilderijenverzameling te verkopen om zo de portretten te kunnen behouden.

Melkmeisje

Onder de verkochte schilderijen zaten niet de minste exemplaren. Zo moest de familie onder andere afstand doen van ‘Het Melkmeisje’ en ‘Het Straatje’, beide wereldberoemde werken van de zeventiende eeuwse schilder Johannes Vermeer. “Wanneer je terugkijkt is dat pijnlijk. Daarom moet je ook niet te veel terugkijken. Dan ga je je alleen maar ergeren.” De familie vond het vooral belangrijk dat de familieportretten behouden bleven, waaronder het pronkstuk en het portret van Rembrandt. “Ik begrijp dat heel goed: die portretten zijn een familiealbum. En je doet toch niet zomaar een familiealbum van de hand? Wanneer zijn zes kinderen allen hun erfdeel zouden krijgen, zou de unieke verzameling uit elkaar vallen en daarbij slinken vanwege de successierechten.” De vele familieportretten, en enkele andere grote schilderijen, werden in 1922 door zijn overgrootvader ondergebracht in een stichting. Met de Belastingdienst werd afgesproken dat er geen successierechten betaald hoefden te worden over de kunst in de stichting. De erfgenaam: “Door de schilderijen onder te brengen in een stichting, bleef de collectie intact. De oudste mannelijke telg, in eerste instantie in directe lijn, werd het enige bestuurslid van de stichting, onder het motto: één kapitein op het schip.”

Overheid

Zijn overgrootvader vond het onterecht dat hij alleen moest opdraaien voor het onderhoud van de collectie. “Er was bij de oprichting van de stichting geen geld toegewezen voor onderhoud. En elk jaar met de pet rondgaan was geen optie.” De familie besloot bij de overheid aan te kloppen. “Mijn grootvader zei: ‘Wij zijn bereid de kunst bijeen te houden, als jullie de instandhouding betalen. Dat vond de staat niet vervelend, want zij begreep ook wel dat die schilderijen anders naar het buitenland zouden kunnen gaan. En dat zou een verschraling van het Nederlandse culturele erfgoed hebben betekend.” De overheid ging akkoord. Vanaf 1955 kreeg de stichting financiële ondersteuning van de staat. Als tegenprestatie moest het huis aan de Amstel beperkt worden opengesteld. “Het contract tussen beide partijen kon trouwens pas in 1957 worden getekend. Het moest eerst helemaal door de ambtelijke en politieke molen.”

Hoge Raad

Vanaf de jaren negentig kreeg de stichting het steeds lastiger om het hoofd boven water te houden. “De staat had de financiële bijdrage niet geïndexeerd, waardoor wij jarenlang te weinig geld ontvingen. In eerste instantie heb je een tientje tekort, dat wordt dan duizend gulden en vervolgens loopt dit op tot honderdduizend euro. Dan begint het echt vervelend te worden. De stichting stond op een gegeven moment rood. Dat vond de bank niet eens een probleem, maar mij werd wel gevraagd of mijn echtgenote en ik borg wilden staan. En dat doe je dan. ”In 2000 besloot de staat de financiële bijdrage te bevriezen. De toekomst van de stichting en daarmee het voortbestaan van de collectie leek nu echt bijzonder précair.” Hij trachtte om de zaak van de stichting te bepleiten met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in contact te komen. “Maar ik vond nergens een ingang. Telkens weer werd mij de weg versperd door de ambtelijke molen. En dan gebeurt er niks. Ik weet precies hoe dat gaat. De minister vraagt aan een ambtenaar: ‘Wat is er toch aan de hand met die familie?’ Die ambtenaar wijst naar een hutkoffer met dossiers waarna besloten wordt de zaak nog maar even te laten rusten. En tijd was juist mijn vijand.” Hij zag zich genoodzaakt naar de rechter te stappen. Hij voerde verschillende rechtszaken tegen de staat met als eis dat zij de subsidie aan de stichting weer zou hervatten. “Uiteindelijk stond de stichting voor de Hoge Raad en die heeft ons niet in het ongelijk gesteld.” Dat betekende helaas nog niet dat de overheid verplicht was om de subsidie te hervatten.

Rijksmuseum

In 2007 ontmoette de erfgenaam Ronald Plasterk, toenmalig minister van OCW in het kabinet Balkenende III. “Toen hij langskwam, begreep hij onmiddellijk dat de staat onmogelijk de schilderijenverzameling zou kunnen kopen. Daar hadden ze geen geld voor. En als de staat niet zou helpen, dan was de kans groot dat de schilderijen naar het buitenland zouden verdwijnen.” De stichting en de staat kwamen samen overeen dat de subsidie weer hervat zou worden en ook op een aanvaardbaar niveau. Als tegenprestatie geeft de stichting de schilderijen eens in de zoveel tijd in bruikleen aan musea. Zo heeft het familieportret van Rembrandt onlangs enige maanden in het Rijksmuseum gehangen. Ook mogen er weer, zoals vroeger, jaarlijks vijfduizend man op bezoek in het huis aan de Amstel om de schilderijen en andere culturele voorwerpen - waaronder sinds kort het oudste planetarium van Nederland - met eigen ogen te aanschouwen. “Cultuur zal het steeds meer moeten hebben van privaat en commercieel vermogen.”

Algemeen Nut Beogende Instelling

Zowel de schilderijen als het familiehuis zijn afzonderlijk ondergebracht in stichtingen die door de Belastingdienst zijn aangemerkt als een ANBI, een Algemeen Nut Beogende Instelling. Een ANBI-stichting hoeft geen erfbelasting of schenkbelasting voor erfenissen en schenkingen te betalen die de instelling gebruikt voor het algemeen belang. Daarbij kunnen donateurs aan een ANBI hun schenkingen aftrekken van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Bovendien heeft de Belastingdienst in 2012 de ANBI-regeling verder uitgebreid. Vanaf 1 januari 2012 geldt voor donateurs van culturele ANBI’s een extra giftenaftrek. Particulieren mogen in de aangifte inkomstenbelasting 1,25 keer het bedrag van de gift aftrekken. Ondernemingen die onder de vennootschapsbelasting vallen, mogen anderhalf keer het bedrag van de gift aftrekken in de aangifte vennootschapsbelasting. “Juist in deze tijd waarin de staat de subsidiekraan voor cultuur dichtdraait, is zo’n ANBIregeling interessant voor privépersonen en bedrijven die willen schenken aan culturele instellingen,” meent de erfgenaam. “Cultuur zal het steeds meer moeten hebben van privaat en commercieel vermogen.” De collectie lijkt in ieder geval voor Nederland behouden: “En dat is belangrijk, want men vindt deze verzameling uniek in de wereld.”


Boek 'Persoonlijke verhalen over vermogen' gratis opgestuurd!

ABN AMRO MeesPierson bundelde zes verhalen, zoals dat van deze ondernemer in het boekje 'Persoonlijke verhalen over vermogen'. Wilt u het boekje gratis thuisgestuurd krijgen? Vul dan onderstaand formulier in.

Uitkomst van de som Geef een andere code
Tags: financieel
Share |
Dit artikel is nog niet beoordeeld